Uitleg per onderdeel › Numeriek redeneren
Numeriek redeneren
Je krijgt tabellen en grafieken met cijfers en beantwoordt vragen over percentages, verhoudingen, groei en totalen. De sommen zelf zijn niet moeilijk; de uitdaging is snel de juiste cijfers vinden en geen denkfout maken onder tijdsdruk.
Bij bijna elke capaciteitentest: SHL, Cappfinity (zelf intypen), Aon/cut-e, Korn Ferry (adaptief), Harver en de Nederlandse capaciteitentest. Meestal mag je een rekenmachine gebruiken; bij sommige Nederlandse tests en bij Harver niet. Dat staat in je uitnodiging.
Zo los je het op
Omzet per kwartaal: Q1 € 240.000, Q2 € 276.000. Met hoeveel procent groeide de omzet van Q1 naar Q2?
- Zoek de twee getallen die je nodig hebt: 240.000 (oud) en 276.000 (nieuw).
- Bereken het verschil: 276.000 − 240.000 = 36.000.
- Deel door de OUDE waarde: 36.000 ÷ 240.000 = 0,15.
- Maak er een percentage van: 15%.
Antwoord: 15%. De valkuil is delen door de nieuwe waarde (36.000 ÷ 276.000 = 13%). Die fout staat bijna altijd tussen de antwoorden.
Probeer het zelf
1. Na 20% korting kost een product € 80. Wat was de oorspronkelijke prijs?
- € 96
- € 100
- € 64
- € 104
Bekijk het antwoord
B. € 80 is 80% van de oude prijs, dus 80 ÷ 0,8 = € 100. € 96 krijg je als je 20% bij € 80 optelt: dat is de klassieke fout.
2. Fabriek A maakt 1.200 ton met 15 medewerkers, fabriek B 1.500 ton met 20 medewerkers. Welke fabriek maakt meer per medewerker, en hoeveel meer?
- A, 5 ton meer
- B, 5 ton meer
- A, 300 ton meer
- Ze zijn gelijk
Bekijk het antwoord
A. A: 1.200 ÷ 15 = 80 ton. B: 1.500 ÷ 20 = 75 ton. A maakt 5 ton meer per medewerker, ook al maakt B in totaal meer.
3. De kosten stijgen van € 50.000 naar € 62.000 en dalen daarna met 10%. Wat zijn de kosten nu?
- € 55.800
- € 57.000
- € 52.000
- € 56.800
Bekijk het antwoord
A. De daling van 10% gaat over het nieuwe bedrag: 62.000 × 0,9 = € 55.800. € 57.000 krijg je als je 10% van de oude 50.000 aftrekt.
Tips
- Lees eerst de vraag, dan pas de tabel. Dan weet je welke cijfers je zoekt.
- Schat eerst. Vaak vallen twee antwoorden dan al af.
- Let op eenheden: duizenden, miljoenen, procenten en procentpunten.
- Vraag je bij elk percentage af: percentage van wát?
- Zit je langer dan anderhalve minuut vast, gok en ga door. Een lege vraag telt ook als fout.
Oefen met nieuwe vragen: Numeriek redeneren
Genummerde oefentests met uitleg bij elk antwoord, plus interview- en assessment-day-oefeningen. Zonder account.
Oefen gratis →Deze pagina is gemaakt met hulp van AI op basis van openbare bronnen en kan fouten bevatten. Controleer data en eisen altijd bij het bedrijf. Bijgewerkt: 8 oktober 2026.